De Franse econoom Thomas Piketty heeft de afgelopen jaren behoorlijk wat invloed gekregen op het politieke denken over inkomen, vermogen en belastingheffing. Ook in Nederland. Zijn naam valt misschien niet dagelijks in de Tweede Kamer, maar zijn gedachtegoed is in toenemende mate herkenbaar in het economisch beleid.
Piketty werd bekend met zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Zijn belangrijkste these is dat vermogen zich op lange termijn sneller ontwikkelt dan de economie als geheel. Daardoor worden vermogenden steeds rijker en neemt de ongelijkheid toe. Zijn oplossing bestaat uit vergaande progressieve belastingen op inkomen, vermogen en erfenissen. Dat klinkt misschien rechtvaardig, maar wat betekent het voor onze economie?

Nivellering als beleidsdoel
Nederland kent al decennialang een sterke traditie van inkomensnivellering. De laatste jaren is daar steeds meer aandacht voor vermogensverschillen bij gekomen. De discussies over box 3, erfbelasting en de fiscale behandeling van ondernemers zijn daarvan voorbeelden.
Op zichzelf is er niets mis met het streven naar een samenleving waarin iedereen kansen krijgt. De vraag is alleen of een steeds verdergaande herverdeling van inkomen en vermogen daarvoor het juiste instrument is.
Vermogen ontstaat niet vanzelf
In de politieke discussie lijkt soms te worden vergeten hoe vermogen ontstaat. Een aanzienlijk deel van het private vermogen zit in ondernemingen, vastgoed en andere investeringen. En voor een fors deel in pensioenaanspraken. Het is opgebouwd door mensen die jarenlang hebben gewerkt, geïnvesteerd en risico hebben genomen. Niet zelden met hun volledige persoonlijke vermogen als inzet.
Daar staat tegenover dat rendement nooit gegarandeerd is. Ondernemers en investeerders kunnen immers ook alles verliezen.
Hogere belastingen op vermogen en rendement veranderen de verhouding tussen risico en beloning. Naarmate succesvol ondernemerschap fiscaal minder aantrekkelijk wordt, neemt ook de bereidheid af om risico’s te nemen en (opnieuw) te investeren. Dat heeft gevolgen voor economische groei, innovatie en werkgelegenheid.
Voor familiebedrijven komt daar nog iets bij. Hun vermogen zit vaak grotendeels vast in de onderneming. Belasting moet echter met geld worden betaald. Met echt geld, liquide middelen, niet met de theoretische waarde van ondernemingen of aandelen. Wanneer daarvoor kapitaal aan een onderneming moet worden onttrokken, gaat dat rechtstreeks ten koste van de mogelijkheden om te investeren en te groeien. Het kan zelfs de continuïteit van de onderneming raken.
Gelijkheid is nog geen welvaart
Piketty stelt terechte vragen over vermogensconcentratie en kansenongelijkheid. Maar zijn analyse betekent niet automatisch dat zijn voorgestelde oplossingen ook economisch verstandig zijn. Een gelijkere verdeling van vermogen leidt niet vanzelf tot meer welvaart. Sterker nog, wanneer nivellering de prikkels om te ondernemen, te investeren en vermogen op te bouwen vermindert, kan de totale welvaart daaronder lijden.
Het Nederlandse belastingbeleid zou zich daarom niet alleen moeten richten op de herverdeling van bestaande welvaart, maar nadrukkelijker op het creëren van nieuwe welvaart. Misschien moeten we ons wat minder bezighouden met de vraag hoeveel vermogen ondernemers hebben, en wat vaker met de vraag hoeveel economische waarde zij toevoegen.
Welvaart moet tenslotte eerst worden verdiend, voordat zij kan worden verdeeld.